Klacht tegen jeugdbeschermer over het niet doen aan waarheidsvinding, het niet neutraal zijn en het zich onvoldoende op de hoogte van het dossier stellen.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. drs. P.H.A. van Geel, voorzitter;
mevrouw mr. H.C.A. Wintgens, lid-jurist;
mevrouw D. de Gelder, lid-beroepsgenoot;
mevrouw N. Baljet, lid-beroepsgenoot;
de heer M.M. Last, lid-beroepsgenoot;

over de door:

[klager], hierna te noemen: klager, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugdbeschermer bij [de instelling], hierna te noemen: [de instelling].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. S.M.C. van Papenrecht.

Klager wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde [naam], werkzaam bij AKJ te Rotterdam.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. J.S.M. Brouwer, werkzaam bij DAS te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennis genomen van:
– het klaagschrift binnengekomen op 15 november 2016, met de bijlagen en de ontvangen aanvullingen van 14 december 2016, 27 januari 2017 en 11 mei 2017;
– het verweerschrift met de bijlagen binnengekomen op 17 juli 2017.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2017 in aanwezigheid van klager, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden. Als toehoorder van de zijde van klager is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aanwezig geweest [vertrouwenspersoon].

1.3

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klager is vader van de minderjarige kinderen: [dochter], hierna te noemen: [dochter] (geboren op [geboortedatum] 2000) en [zoon], hierna te noemen: [zoon] (geboren op [geboortedatum] 2005), samen aan te duiden als ‘de kinderen’.

2.2

Klager en zijn ex-partner, hierna te noemen: moeder, zijn gescheiden. De verstandhouding tussen klager en moeder is niet goed. De hoofdverblijfplaats van [dochter] is sinds december 2015 bij klager vastgesteld. De hoofdverblijfplaats van [zoon] is sinds november 2016 bij moeder vastgesteld. Klager heeft geen gezag over de kinderen.

2.3

Op 24 oktober 2014 zijn klager, moeder en de kinderen aangemeld bij [de instelling]. Het doel van de aanmelding bij [de instelling] was om in het vrijwillige kader omgang tussen de kinderen en vader tot stand te brengen. Op dat moment was er geen enkel contact tussen klager en de kinderen.

2.4

Bij beschikking van de rechtbank [plaatsnaam] van 21 mei 2015 zijn de kinderen onder toezicht gesteld. Deze ondertoezichtstelling is sindsdien telkens verlengd.

2.5

Bij beschikking van de rechtbank [plaatsnaam] van 22 december 2015 is een machtiging uithuisplaatsing verleend voor [dochter] bij klager tot uiterlijk 21 mei 2016. Feitelijk verbleef [dochter] al sinds september 2015 bij klager. De machtiging uithuisplaatsing is bij beschikking van de rechtbank [plaatsnaam] van 4 mei 2016 verlengd tot 21 november 2017.

2.6

Bij beschikking van de rechtbank [plaatsnaam] van 23 februari 2016 is tevens voor [zoon] een machtiging uithuisplaatsing bij klager verleend tot 23 mei 2016. De machtiging uithuisplaatsing is bij beschikking van de rechtbank [plaatsnaam] van 4 mei 2016 verlengd tot 21 november 2016.

2.7

Beklaagde is sinds 10 mei 2016 betrokken geraakt als jeugdbeschermer voor klager en de moeder. Zij heeft deze taken van een collega overgenomen.

2.8

Klager heeft een gelijkluidende klacht ingediend over een collega van beklaagde, [naam]. Zij is jeugdbeschermer voor de kinderen. Beide klachten zijn door het College tijdens de mondelinge behandeling gelijktijdig behandeld.

2.9

[De instelling] heeft met ingang van 9 februari 2017 in het kader van parallel ouderschap gekozen voor twee gescheiden systemen. Beklaagde werkt sindsdien alleen als jeugdbeschermer voor [zoon] en moeder. Een nieuwe collega werkt sindsdien als jeugdbeschermer voor [dochter] en klager.

2.10

Op 5 oktober 2016 heeft [de instelling] een plan van aanpak opgesteld. [De instelling] heeft naar aanleiding hiervan de Raad van de Kinderbescherming, hierna te noemen: de raad, verzocht te toetsen of de machtiging uithuisplaatsing van [zoon] kan worden beëindigd. De raad heeft op 3 november 2016 voor de thuisplaatsing van [zoon] bij moeder akkoord gegeven.

2.11

Op 8 november 2016 heeft beklaagde in een overleg met het veiligheidshuis besproken hoe aan de thuisplaatsing van [zoon] vorm gegeven zou kunnen worden. In verband met de te verwachten onrust die de thuisplaatsing met zich mee zou brengen en de wens om de thuisplaatsing zo min mogelijk belastend voor [zoon] plaats te laten vinden, is toen besloten om moeder en [zoon] na de thuisplaatsing twee weken elders onder te brengen.

2.12

Op 10 november 2016 is [zoon] thuis geplaatst bij moeder.

2.13

Beklaagde is geregistreerd bij SKJ sinds [datum] 2013.

3 De klacht

3.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:

3.1.1

Beklaagde heeft niet aan waarheidsvinding gedaan en is niet neutraal in haar rapportages.
Beklaagde heeft de opmerkingen van klager en zijn dochter onvoldoende verwerkt in de rapportages, waardoor de Raad onevenwichtig is geïnformeerd. Door het selectief geven van informatie is een onjuist beeld geschetst van klager.
Beklaagde heeft het plan van aanpak telkens aangepast. Daarbij zijn negatieve zaken van klager gehandhaafd, en nieuwe positieve zaken niet benoemd. Negatieve zaken over moeder zijn juist uit het plan van aanpak weggelaten en positieve zaken opgenomen.

3.1.2

Sinds beklaagde bij het gezin van klager is betrokken, heeft zij zich onvoldoende op de hoogte gesteld van het dossier. Ook heeft er geen overdracht plaatsgevonden met haar voorganger. Zo wist beklaagde niet waarom de ondertoezichtstelling was uitgesproken. Daardoor is een koerswijziging ontstaan. Beklaagde is onnodig opnieuw begonnen met het ontwikkelen van een perspectief voor de kinderen.

4 Het verweer

4.1

De betrokken partijen hebben allen hun eigen visie op de afgespeelde gebeurtenissen. Er is sprake van een zeer complexe situatie. Klager en moeder kunnen niet communiceren over het welzijn van de kinderen en geven verschillende interpretaties aan incidenten die hebben plaats gevonden. Beklaagde is niet uitgegaan van één waarheid en heeft alle interpretaties in haar rapportages verwerkt. Ook de opmerkingen van klager en zijn dochter zijn dus opgenomen. Gedane uitspraken van de moeder kunnen niet door klager worden aangepast en omgekeerd. In zo’n geval heeft beklaagde reacties als bijlage toegevoegd. Sommige informatie is afkomstig van informanten zoals de politie of hulpverleningsorganisaties. Deze informatie heeft beklaagde niet nogmaals gecontroleerd.

Beklaagde betwist dat zij onvolledig of selectief is geweest in haar rapportages. Bij de rapportages is sprake van dossiervorming. De ene rapportage volgt de ander op en vervangt de eerdere rapportage niet. Om te voorkomen dat er ellenlange en onleesbare rapportages ontstaan. Beklaagde betwist met klem ooit selectief te zijn geweest in het opnemen van informatie van een der ouders of de kinderen.

4.2

Beklaagde betwist dat zij onvoldoende op de hoogte zou zijn geweest van het dossier en er geen goede overdracht zou hebben plaats gevonden. Beklaagde heeft kennis genomen van het schriftelijke dossier en heeft een mondelinge overdracht gehad van haar collega, die ook van het dossier op de hoogte is en tegen wie klager eveneens een klacht heeft ingediend. Voorts is de zaak intern besproken. Daarna heeft een kennismakingsgesprek op kantoor plaats gevonden tussen klager, moeder en beklaagde. Tot slot heeft beklaagde met haar collega een huisbezoek afgelegd. Beklaagde heeft tijdens dit bezoek te kennen gegeven dat zij mogelijk nog niet van alles op de hoogte is. Zij heeft met dit huisbezoek klager de mogelijkheid willen geven om zijn kant van het verhaal te doen.
Er is geen sprake geweest van een koerswijziging. Op het moment dat beklaagde betrokken is geraakt bij deze zaak lag er geen duidelijk plan waaraan kon worden gewerkt. Er was een uithuisplaatsing uitgesproken maar er was niet aangegeven wat er moest gebeuren om die weer op te heffen. Op dat moment lag er al een verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing bij de rechtbank. Tijdens de behandeling van dat verzoek is uiteengezet dat de machtiging moest worden verlengd om de kaders van de machtiging uit te zetten. Beklaagde heeft nadat deze verlenging is uitgesproken een regiefunctie gehad om de kaders te ontwikkelen zodat duidelijk werd op welk tijdstip en op welke wijze deze maatregel kon worden opgeheven. Dat valt haar niet te verwijten en is zeker niet het gevolg van onvoldoende kennis van het dossier.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

5.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

5.2

Het College oordeelt als volgt:

I

Het College stelt vast dat het klachtonderdeel is opgebouwd uit twee onderdelen.

Het eerste gedeelte ziet op de waarheidsvinding door beklaagde; de wijze waarop beklaagde de incidenten in de opgestelde rapportages heeft beschreven. Het College overweegt dat beklaagde voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij zorgvuldig heeft gehandeld bij het opstellen van de rapportages en het opsturen van de rapportages naar de Raad. Het College is, uit de door beklaagde geschetste gang van zaken, overtuigd dat zij zich voldoende actief heeft ingezet voor zowel klager als moeder. Zij heeft gezocht naar oplossingen, klager en moeder gemotiveerd en heeft contact gehouden met zowel klager als moeder. Niet is gebleken dat de aanvullingen van klager en [dochter] onvoldoende door beklaagde in de rapportages zijn verwerkt waardoor de Raad onevenwichtig zou zijn geïnformeerd.

Het tweede gedeelte van dit klachtonderdeel ziet op de aanvullingen en weglatingen in de opeenvolgende rapportages opgesteld door beklaagde. Nu klager dit gedeelte van het klachtonderdeel niet verder heeft onderbouwd met feiten en omstandigheden, kan het College niet vaststellen of beklaagde selectief informatie in de rapportages heeft opgenomen en daarmee een onjuist beeld heeft geschetst van klager. Desgevraagd heeft klager tijdens de mondelinge behandeling geen voorbeeld kunnen benoemen van zaken die niet in de rapportages zijn meegenomen.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

II

Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling inzicht gegeven in de overdracht zoals deze heeft plaats gevonden. Zij heeft uiteengezet dat de overdracht heeft bestaan uit drie verschillende onderdelen. Allereerst heeft zij kennis genomen van het schriftelijk dossier, gevolgd door een mondelinge overdracht van haar collega, tegen wie klager eveneens een klacht heeft ingediend. Voorts heeft zij de zaak intern besproken. Daarna heeft een kennismakingsgesprek op kantoor plaats gevonden en is er een huisbezoek bij klager afgelegd. Het College heeft uit de door beklaagde geschetste gang van zaken de stellige indruk gekregen dat zij zorgvuldig te werk is gegaan en zich kwetsbaar heeft opgesteld richting klager. Uit de stappen zoals beklaagde heeft geschetst is gebleken dat beklaagde klager de ruimte heeft gegeven om zijn kant van het verhaal te doen.

Beklaagde nam de regie en zij bepaalde het perspectief voor de machtiging uithuisplaatsing. Dit week af van het handelen van de voorganger van beklaagde. Het is begrijpelijk dat klager hierdoor verrast was en dat hij niet tevreden was met de uitkomst. Maar dat maakt niet dat beklaagde hierin onzorgvuldig heeft gehandeld. Beklaagde heeft desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling gereflecteerd op haar handelen. Zij heeft aangegeven in het vervolg mogelijk in de communicatie met de betrokkenen langer stil te kunnen staan bij de reden waarom zij betrokken is geraakt en de reden voor het innemen van een regiefunctie voor het uiteenzetten van duidelijke kaders.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

5.3

Het College komt tot de slotsom dat beklaagde in lijn met de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker heeft gehandeld en er geen schending van artikel D (bevorderen van vertrouwen in de jeugdzorg), artikel F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en artikel M (verslaglegging/dossiervorming) heeft plaatsgevonden en dat beklaagde geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

6 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– verklaart beide klachtonderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College van Toezicht en op 7 december 2017 aan partijen toegezonden.

de heer mr. drs. P.H.A. van Geel                 mevrouw mr. S.M.C. van Papenrecht
voorzitter                                                          secretaris