De jeugdprofessional heeft de kinderen op school, zonder enige professionele nazorg, op de hoogte gebracht van haar voornemen tot uithuisplaatsing.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter;
de heer W.V.V. Toebosch;
mevrouw F.A. Leeflang, leden-beroepsgenoten;

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

Mevrouw [A], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats], ingediende klacht tegen:

Mevrouw [B], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam bij [GI].

De behandeling van de klacht heeft op 13 december 2016 plaatsgevonden in aanwezigheid van klaagster. Klaagster werd bijgestaan door haar partner. Beklaagde werd bijgestaan door haar gemachtigde mr. J. Stappaerts-Zijlmans. Mevrouw [C] en de heer [D] zijn als toehoorders aanwezig geweest.

1 Het verloop van de procedure

Het College heeft kennis genomen van:

– Het klaagschrift, ontvangen op 25 mei 2016;

– De aanvulling op het klaagschrift, ontvangen op 25 mei 2016;

– Het verweerschrift, ontvangen op 27 juli 2016.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit.

2.1

Klaagster is moeder van drie [minderjarige kinderen], [E], geboren op [geboortedatum], [F], geboren op [geboortedatum] en [G] geboren op [geboortedatum], hierna samen aan te duiden als: de kinderen. Klaagster en haar ex-partner (hierna te noemen: vader) zijn uit elkaar gegaan in [datum]. De rechter heeft de echtscheiding uitgesproken op [datum] 2015. Klaagster en vader zijn beiden belast met het gezamenlijk gezag. Na de beëindigde relatie hebben [E, F, G] (hierna te noemen: de kinderen) bij klaagster gewoond. De rechtbank heeft op 9 juni 2015 een bezoekregeling met vader vastgesteld. De kinderen verblijven op vrijdag om het weekend en eens in de twee weken op woensdagmiddag bij vader. De relatie tussen klaagster en vader is verstoord.

2.2

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) heeft, na een melding van Veilig Thuis, een onderzoek verricht naar de situatie van de kinderen. De Raad heeft op 30 oktober 2015 een rapport uitgebracht en heeft de rechtbank om een ondertoezichtstelling (hierna te noemen: ots) verzocht.

2.3

Bij rechterlijke beschikking d.d. 10 november 2015 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van [GI]. Beklaagde is vanaf dat moment door [GI] aangesteld als gezinsvoogd tot en met 10 november 2016.

2.4

[GI] heeft voor klaagster en vader de methodiek Kind en Scheiding ingezet. Op 20 november 2015 heeft een eerste gesprek plaatsgevonden. Op 16 februari 2016 is de module (tijdelijk) geschorst.

2.5

Beklaagde is in november 2015 bij zowel klaagster als vader op huisbezoek geweest. Op 2 december 2015, 27 januari 2016, 5 februari 2016, 16 februari 2016, 2 maart 2016 en 18 maart 2016 heeft beklaagde gezamenlijke gesprekken gevoerd met klaagster en vader.

2.6

Op 28 december 2015, 11 februari 2016, 18 maart 2016 en 5 april 2016 heeft beklaagde met de kinderen gesproken.

2.7

Op 29 maart 2016 heeft [GI] besloten een verzoek tot uithuisplaatsing (hierna te noemen: uhp) bij de rechtbank in te dienen.

2.8

Op 5 april 2016 heeft beklaagde de kinderen op school verteld dat zij de kinderrechter zal vragen om de kinderen tijdelijk uit huis te plaatsen. Op 14 april 2016 is het verzoek tot uhp van de kinderen bij de rechtbank ingediend.

2.9

Bij beschikking d.d. 31 mei 2016 heeft de rechtbank een machtiging tot uhp verleend. Nu geen plek in een pleeggezin beschikbaar was en [GI] een plaatsing elders niet in het belang van de kinderen heeft geacht, is in afwachting van een pleeggezin intensieve hulp bij klaagster thuis ingezet. Klaagster heeft twee dagdelen per week hulp van [zorgaanbieder H]. Daarnaast wordt moeder begeleid door [zorgaanbieder I]. [Zorgaanbieder H] heeft eveneens een dagdeel per week hulp verleend aan vader.

2.10

Tijdens de mondelinge behandeling bij het College, heeft beklaagde te kennen gegeven dat de ots op 10 november 2016 is geëindigd. Beklaagde heeft geen verzoek tot verlenging van de ots ingediend vanwege de onuitvoerbaarheid van deze maatregel. De Raad is inmiddels een nieuw onderzoek gestart.

2.11

Beklaagde is geregistreerd sinds [datum] 2013.

3 De klachten

Klaagster verwijt beklaagde kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende.

3.1

Beklaagde is partijdig. Zij heeft uitsluitend in het belang van vader gehandeld en heeft het belang van moeder en de kinderen uit het oog verloren.

3.2

Beklaagde heeft onjuistheden als feiten gepresenteerd in het Plan van Aanpak van de kinderen. De reactie van klaagster is niet bij het Plan van Aanpak gevoegd.

3.3

Beklaagde heeft geen bekwame hulp geboden om een verzoek tot uhp te voorkomen.

3.4

Beklaagde laat klaagster niet uitpraten en heeft haar mening opgedrongen.

3.5

Beklaagde heeft ten onrechte de kinderen uit huis willen plaatsen. Beklaagde heeft een verzoek tot uhp ingediend bij de rechtbank zonder klaagster op de hoogte te stellen. Ook heeft beklaagde zonder toestemming van klaagster de kinderen geïnformeerd over de uhp.

3.6

Beklaagde heeft rapportages die twee jaar oud zijn naar de rechtbank verstuurd.

4 Het verweer

Beklaagde voert kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan.
Het is beklaagde onduidelijk in hoeverre deze klacht afkomstig is van klaagster nu klaagster nooit eerder een klacht richting beklaagde heeft geuit.

4.1

Beklaagde betwist dat zij partijdig is. Beklaagde heeft zowel klaagster als vader in gezamenlijke gesprekken en in e-mails aangesproken op hun verantwoordelijkheden. Beklaagde heeft ook oog gehad voor het aandeel van vader in de strijd tussen klaagster en vader en heeft dat in de bijstelling van het Plan van Aanpak ots van de kinderen d.d. 7 april 2016 benoemd.

4.2

Klaagster heeft niet vermeld welke feiten niet juist in de documenten zijn weergegeven. Dat klaagster anders aankijkt tegen de zorgen van beklaagde maakt niet dat de feiten niet juist zijn.

4.3

Beklaagde heeft getracht om klaagster en vader in te laten inzien dat de oplossing voor de problemen van de kinderen bij hen ligt. Zij moeten als ouders hun verantwoordelijkheid nemen en hun strijd laten rusten in het belang van de kinderen.

4.4

Beklaagde heeft zowel klager als vader met respect heeft behandeld. Het kan zijn dat beklaagde een verwijzing van klaagster naar het gedrag van vader (en andersom) in een gesprek heeft afgekapt.

4.5

Niet beklaagde maar de rechter heeft besloten om de kinderen uit huis te plaatsen. Beklaagde heeft in een overleg met collega’s besproken op welke wijze zij het verzoekschrift met de machtiging tot uhp met de kinderen zou bespreken. De gedragswetenschapper heeft geadviseerd hen zo snel mogelijk op school in te lichten. Beklaagde heeft klaagster en vader direct na het gesprek met de kinderen telefonisch geïnformeerd.

4.6

Het is beklaagde niet duidelijk welke rapporten oud en irrelevant zijn.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College wijst allereerst op het volgende.
Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

Het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional wordt getoetst aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

De klachten hebben betrekking op de periode vanaf 10 november 2015 tot het moment van indienen van de onderhavige klacht op 25 mei 2016.
Onderstaande beoordeling van de klachten is derhalve uitsluitend gebaseerd op de feiten die in dit tijdvak hebben plaatsgevonden.

Het College is van oordeel dat klaagster in haar klacht kan worden ontvangen nu zij het klaagschrift d.d. 25 mei 2016 mede heeft ondertekend.
Ten aanzien van de klachtonderdelen oordeelt het College als volgt.

Ad 1:
Klaagster heeft gesteld dat beklaagde uitsluitend in het belang van vader heeft gehandeld. Beklaagde heeft naar voren gebracht dat zij zowel klaagster als vader heeft gewezen op hun verantwoordelijkheden en dat zij in haar rapportages zowel het aandeel van klaagster als vader heeft benoemd. Het College heeft in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling bij het College geen aanknopingspunten kunnen vinden die het standpunt van klaagster ondersteunen zodat dit klachtonderdeel ongegrond wordt verklaard.

ad 2 en 6:
Deze klachtonderdelen worden wegens hun samenhang gezamenlijk beoordeeld.

In het dossier bevindt zich een bijstelling Plan van Aanpak d.d. 7 april 2016.
Klaagster heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het College toegelicht dat de rapporten van de instellingen [zorgaanbieder J] en Veilig Thuis in het Plan van Aanpak zijn verwerkt en dat deze rapporten vanwege de datum van ondertekening niet meer mogen worden gebruikt.

Beklaagde heeft uiteengezet dat de informatie van [zorgaanbieder J] en Veilig Thuis is vermeld om de voorgeschiedenis van het gezin voor aanvang van de ots in beeld te brengen.

Op basis van de stukken, het verhandelde ter zitting en na bestudering van de bijstelling Plan van Aanpak is het College van oordeel dat beklaagde voldoende zorgvuldig en volledig is geweest voor wat betreft het vermelden van de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het rapport berust. Beklaagde heeft onder het kopje ‘gronden van de ots’ de problematiek van ouders benoemd. Zowel de zorgpunten van klaagster als vader zijn door beklaagde beschreven. Beklaagde heeft zich gebaseerd op het Raadsonderzoek d.d. 30 oktober 2015 en de rapportage van [zorgaanbieder J]. In het raadsonderzoek heeft de Raad verwezen naar een melding van [zorgaanbieder J] en een gesprek d.d. 14 oktober 2015. Niet gebleken is dat gebruik is gemaakt van zodanige oude rapporten dat die niet meer gebruikt kunnen worden. Deze klachtonderdelen zijn ongegrond.

Ad 3:
Beklaagde heeft onderzocht in hoeverre het sociale netwerk van klaagster en vader hulp en ondersteuning kon bieden. Dit bleek echter niet mogelijk omdat het netwerk van klaagster en vader is betrokken bij de conflicten tussen laatstgenoemden. Daarnaast hebben klaagster en vader geen overeenstemming bereikt over de inzet van het netwerk. Beklaagde heeft overlegd met een gedragswetenschapper en zij heeft hulp geboden aan klaagster en vader door het inzetten van de methodiek Kind en Scheiding. [Zorgaanbieder K] heeft te kennen gegeven dat de kinderen niet kunnen worden behandeld zolang de strijd tussen ouders voortduurt. Klaagster heeft dit niet weersproken.
Het is het College op grond van het vorenstaande niet gebleken dat beklaagde geen adequate hulp zou hebben geboden om een uhp te voorkomen. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Ad 4:
Uit de stukken en de mondelinge behandeling bij het College is niet vast komen te staan dat beklaagde aan klaagster haar mening heeft opgedrongen of haar niet heeft laten uitpraten zodat klachtonderdeel IV. ongegrond is.

Ad 5:
Anders dan klaagster stelt, heeft niet beklaagde maar de rechter, na een verzoek van Beklaagde de gronden voor een uhp getoetst en een machtiging tot uhp verleend. Dit onderdeel van klachtonderdeel V. is derhalve ongegrond.
De taak van beklaagde is omschreven in artikel A van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker: ‘de jeugdzorgwerker bevordert dat de jeugdige cliënt in zijn opvoeding en ontwikkeling tot zijn recht komt en werkt daartoe samen met diens sociale omgeving’.
Op grond van dit artikel staan de kinderen centraal.

Beklaagde heeft, voordat zij het verzoek tot uhp bij de rechtbank heeft ingediend, op 5 april 2016 de kinderen op school, onder schooltijd en zonder enige professionele nazorg, op de hoogte gebracht van haar voornemen. Beklaagde heeft zich op het standpunt gesteld dat zij de school van te voren heeft ingelicht over de inhoud van het gesprek en dat zowel klaagster als vader niet bij het gesprek aanwezig zijn geweest omdat zij de kinderen belasten. Na het gesprek zijn de jongste kinderen naar de klas gebracht. Met de oudste zoon, [E], heeft beklaagde apart gesproken. Eveneens heeft beklaagde de leerkracht van [E] over het gesprek geïnformeerd. Hierna is beklaagde vertrokken en zijn de kinderen op school gebleven.

Het College is van oordeel dat beklaagde het gesprek met de kinderen niet onder schooltijd had moeten voeren nu de kinderen reeds emotioneel belast waren, zij zijn teruggestuurd naar de klas en zij de dag op school hebben moeten afmaken. Een uhp van jeugdigen is een zeer ingrijpende beslissing met veel gevolgen voor de jeugdigen en hun ouders. Het is van belang dat de jeugdprofessional ouders en kinderen bij de uhp betrekt. In de Richtlijn Uithuisplaatsing voor Jeugdhulp en Jeugdbescherming is omschreven dat ouders de ruimte moeten krijgen om hun emoties over de uhp te kunnen uiten hetgeen om inlevingsvermogen van de jeugdprofessional vraagt.
Door klaagster achteraf telefonisch te informeren over het gesprek dat beklaagde met de kinderen heeft gevoerd, heeft beklaagde onvoldoende rekening gehouden met het feit dat deze gang van zaken tot gevolg zou kunnen hebben dat het vertrouwen van klaagster in beklaagde als gezinsvoogd zou verminderen. Door aldus te handelen, heeft beklaagde klaagster, als moeder van de kinderen, niet de ruimte gegeven om haar emoties over de uhp te kunnen uiten.

Naar het oordeel van het College verdient het de voorkeur om na het gesprek met de kinderen, nu er geen sprake was van een spoeduhp, klaagster in een persoonlijk gesprek te informeren. Dat geeft immers de mogelijkheid aan beklaagde om na te gaan of haar boodschap goed is overgekomen. Voorts kan beklaagde klaagster nader kunnen voorbereiden op een uhp, hetgeen passend is bij een zorgvuldige uitoefening van haar taak als jeugdprofessional.

Hoewel dit buiten de periode van de door klaagster ingediende klacht valt maar wel is besproken tijdens de zitting en in het verlengde moet worden gezien van de door beklaagde ingezette procedure tot uithuisplaatsing van de kinderen, wenst het College het volgende op te merken. Tijdens het indienen van het verzoek uhp bij de rechter heeft beklaagde zich niet vooraf vergewist of ook uitvoering kon worden gegeven aan die uhp. Het was beklaagde te doen dat de drie kinderen samen in een (1) pleeggezin ondergebracht zouden worden. Het is een feit van algemene bekendheid dat de kans dat drie kinderen gelijktijdig ondergebracht kunnen worden in 1 pleeggezin gering is. Nu beklaagde zowel klaagster, vader als ook de kinderen heeft verteld dat een uhp aanstaande was, heeft zij betrokkenen belast met een voor hun zeer emotioneel gebeuren. Dit terwijl de uitvoering van de uhp in het geheel niet voorradig was op dat moment. De uitvoering van de beslissing tot uhp heeft ook niet plaatsgevonden vanwege eerder genoemde reden. Door zich niet eerst te vergewissen dat plaatsing ook mogelijk was heeft beklaagde willens en wetens en onnodig betrokkenen in een stressvolle situatie gebracht.

Het College neemt het beklaagde kwalijk dat zij tijdens het overbrengen aan de kinderen en klaagster van de mededeling dat een uhp aanstaande was in samenhang met het feit dat zij zich niet heeft vergewist dat aan die moeilijke plaatsing ook uitvoering kon worden gegeven, zij bij het beroepsmatig handelen niet is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.

Uit het voorgaande blijkt dat het College van oordeel is dat dit gedeelte van klachtonderdeel V. gegrond is. Beklaagde heeft gehandeld in strijd met de artikelen A (jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen), D (bevorderen van het vertrouwen in de Jeugdzorg) en F (informatievoorziening over de hulp -en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker.
Niet gebleken is dat beklaagde voldoende heeft gereflecteerd op de mogelijke consequenties van haar handelen.

Alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemende, acht het College de maatregel van berisping passend en geboden.

6 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:
Het College van Toezicht:

– verklaart klachtonderdelen I., II., III., IV. en VI. ongegrond,

– verklaart klachtonderdeel V. deels gegrond,

– legt op een maatregel van berisping.

Aldus gedaan en op 7 februari 2017 door het College van Toezicht aan partijen toegezonden.

de heer mr. A.R.O. Mooy                                                                      mevrouw mr. A.C. Veerman
voorzitter                                                                                                  secretaris