De schoolmaatschappelijk werker is tekortgeschoten in het opvragen en inzien van informatie, waaronder het ouderschapsplan, waardoor zij in strijd heeft gehandeld met de geldende juridische kaders rondom de hoofdverblijfplaats van een minderjarige.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. drs. P.H.A. van Geel
mevrouw M. Bijnoe, lid-beroepsgenoot,
mevrouw F.A. Leeflang, lid-beroepsgenoot,

over de door:
[klager] (hierna te noemen: klager) en [klaagster] (hierna te noemen: klaagster), hierna gezamenlijk te noemen: klagers, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als schoolmaatschappelijk werker bij [de instelling] (locatie: [locatie]), hierna te noemen: [de instelling].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. S.M.C. van Papenrecht.

Klagers worden in deze zaak bijgestaan door hun gemachtigde [vertrouwenspersoon], werkzaam bij Zorgbelang [locatie], te [plaatsnaam].

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. E. Hoogeterp, werkzaam als advocaat te Zwolle.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:

  • het klaagschrift met de bijlagen ontvangen op 13 april 2018;
  • een aanvulling op het klaagschrift ontvangen op 10 oktober 2018;
  • het verweerschrift met de bijlagen ontvangen op 14 juni 2018;
  • de door beklaagde overgelegde pleitnotitie tijdens de mondelinge behandeling.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 13 november 2018 in aanwezigheid van klagers, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over vijf weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klager is de vader en klaagster is de stiefmoeder van een meerderjarige dochter, geboren in 1998, hierna te noemen: de dochter en een zoon, geboren in 2001, hierna te noemen: de zoon. Klaagster heeft uit een eerdere relatie een zoon en een dochter die bij klagers wonen.

2.2

Klager en zijn ex-partner, hierna te noemen: moeder, zijn sinds 2006 gescheiden. Zij oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over de dochter en de zoon. De hoofdverblijfplaats van de dochter en zoon is, in een convenant tussen klager en moeder (hierna te noemen: het convenant), in april 2013 bij klager vastgesteld. Sinds [datum] 2018 woont de zoon bij moeder.

2.3

Beklaagde is werkzaam als schoolmaatschappelijk werkster bij [de instelling]. Zij is in die hoedanigheid werkzaam bij het [lokaal team] (hierna te noemen: lokaal team) en is als schoolmaatschappelijk werkster op de school van de zoon ingezet. Beklaagde is als jeugdzorgwerker sinds [datum] 2015 geregistreerd bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ.

2.4

Op 18 januari 2018 heeft beklaagde met de zoon gesproken over zijn thuissituatie en heeft de zoon verteld dat hij bij moeder wil wonen.

2.5

Beklaagde heeft de casus besproken met haar team van schoolmaatschappelijk werkers op 22 januari 2018 en samen is geconcludeerd dat deze zaak, vanwege de complexiteit, wordt overgedragen aan het Sociaal Team van de Gemeente. Beklaagde heeft de casus nog dezelfde dag anoniem voorgelegd aan het Sociaal Team. Beklaagde heeft de zoon niet meteen aangemeld omdat zij dit eerst met hem wilde overleggen.

2.6

Op 25 januari 2018 heeft een tweede gesprek plaatsgevonden tussen beklaagde en de zoon over de wens van de zoon om naar moeder te verhuizen.

2.7

Op 1 februari 2018 heeft beklaagde de wens van de zoon besproken met moeder en de zoon en op 5 februari 2018 met klager en de zoon. Na dit gesprek is de zoon per direct bij moeder gaan wonen. Op 8 februari 2018 hebben klagers met beklaagde een gesprek gevoerd over de gang van zaken.

2.8

Op 15 februari 2018 heeft het overdrachtsgesprek tussen het Sociaal Team, de zoon en beklaagde plaatsgevonden, nadat de afspraak voor de overdracht op 8 februari 2018 niet was doorgegaan.

2.9

Bij beslissing van 7 augustus 2018 heeft de externe klachtencommissie van [de instelling] de klachten van klagers gegrond verklaard en zijn drie aanbevelingen geformuleerd.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Klagers verwijten, kort samengevat en zakelijk weergegeven, beklaagde dat zij buiten haar bevoegdheden heeft gehandeld door met de zoon mee te gaan in zijn plannen om naar moeder te verhuizen, terwijl dit op gespannen voet stond met de wettelijke regels rond het wijzigen van de hoofdverblijfplaats.

3.1.4

Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort, weergegeven waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt. Vanwege de samenhang worden klachtonderdelen I en II evenals III en IV gezamenlijk besproken en beoordeeld. Het geheel eindigt met een conclusie.

3.2 Klachtonderdeel I en II

3.2.1

Volgens klagers kent beklaagde haar bevoegdheden niet. Zij is niet op de hoogte van de juridische regels ten aanzien van het veranderen van een hoofdverblijfplaats.

3.2.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat het niet haar besluit was dat de zoon bij zijn moeder ging wonen. Dit is een besluit dat hij zelf heeft genomen en al vast stond voordat hij voor het eerst op gesprek bij beklaagde kwam. Beklaagde heeft dus niet in strijd gehandeld met haar bevoegdheden, zij was slechts zijn gesprekspartner.
Beklaagde heeft geprobeerd om de overgang van het verblijf bij klagers naar het verblijf bij moeder zo zorgvuldig mogelijk te begeleiden, met inachtneming van de belangen van de zoon en zijn beide ouders. Hiertoe heeft beklaagde de onder 2.4 en 2.6 genoemde gesprekken met de zoon gevoerd. In deze gesprekken ging het voornamelijk om de woonsituatie van de zoon en zijn wens om bij zijn moeder te gaan wonen. In het laatste gesprek heeft de zoon gezegd dat zijn keuze om bij moeder te wonen, vaststaat en dat hij een plan heeft bedacht om de verhuizing uit te voeren. Beklaagde geeft aan dat het niet leek alsof hij bereid was om af te wijken van zijn plan. Andere ideeën die beklaagde opperde om de woonsituatie te veranderen, zag hij niet zitten.
Beklaagde was niet bekend en had ook niet bekend kunnen zijn met (de inhoud van) het convenant. Er bestaat geen systeem waarbinnen het voor beklaagde mogelijk is om na te gaan of er een convenant aanwezig is. Ook is er door de moeder, door de zoon en door klager (in het gesprek op 5 februari 2018) zelf niet gesproken over het convenant of het bestaan van een regeling.

3.2.3

Het College overweegt het volgende. De vertrouwenspersoon van school heeft beklaagde op 16 januari 2018 benaderd om als schoolmaatschappelijk werkster met de zoon in gesprek te gaan. Op basis hiervan was beklaagde in haar functie bevoegd als gesprekspartner van de zoon. Voor het College is gebleken dat er sprake was van een complexe casus waar in het verleden sprake is geweest van een echtscheiding. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij beperkte kennis had over wijziging van de hoofdverblijfplaats van een minderjarige. Het College is van oordeel dat het op de weg van beklaagde had gelegen en op grond van de richtlijn ‘scheiding en problemen bij jeugdigen’ van haar mocht worden verwacht dat zij de juiste expertise had ingeschakeld, zicht had gekregen op relevante juridische kaders en beschikte over de aanwezige documentatie.

Voor de juiste kennis had beklaagde onder andere de Raad voor de Kinderbescherming kunnen benaderen. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij deze casus anoniem heeft voorgelegd aan de Raad voor de Kinderbescherming, maar niet de juiste vragen heeft gesteld. Zij had hier volgens het College expliciet moeten informeren naar de rechten van een zestienjarige bij het zelfstandig bepalen van zijn hoofdverblijfplaats. Het College is van oordeel nu beklaagde slechts heeft geïnformeerd naar het gezag zij verwijtbaar tekort is geschoten in het opvragen van informatie. Indien zij de juiste vragen had gesteld was zij mogelijk gewezen op het wettelijk kader uit artikel 1:12 Burgerlijk Wetboek. In dit artikel is geregeld dat een minderjarige de hoofdverblijfplaats volgt van hen die het gezag over hem uitoefenen. De ouders met gezag hebben de zeggenschap over de hoofdverblijfplaats van de minderjarige. De wet bevat geen expliciete bepaling waaruit blijkt dat de minderjarige van zestien jaar zelf bevoegd is om te beslissen waar hij woont. Wel had de minderjarige gebruik kunnen maken van de informele rechtsingang bij de rechter. Voorts had van beklaagde als jeugdprofessional mogen worden verwacht dat zij in een casus waarbij sprake is geweest van een echtscheiding actief achterhaalt hoe het gezag is geregeld en waar de hoofdverblijfplaats is vastgesteld. Het actief achterhalen kon bestaan uit het informeren naar een ouderschapsplan, resp. het convenant. Het feit dat de betrokkenen haar niet op het convenant hebben gewezen doet er niets aan af. Nu beklaagde dit heeft nagelaten valt haar dit tuchtrechtelijk te verwijten. Het College is van oordeel dat beklaagde met dit nalaten in strijd met artikel B (Bevordering deskundigheid) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker heeft gehandeld. Daarnaast is het College van oordeel dat van beklaagde als jeugdprofessional mag worden verwacht dat zij de zoon nadrukkelijk zou hebben gewezen op de beperkingen van zijn besluit en het handelen in strijd met de wet. Beklaagde had hem mogelijk kunnen begeleiden bij het zetten van de juiste stappen om te proberen zijn hoofdverblijfplaats te wijzigen. Nu beklaagde dit heeft nagelaten, mede doordat zij niet over de benodigde kennis beschikte, heeft zij niet in lijn met artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker gehandeld. Het College merkt op dat indien het begeleiden van de zoon bij het wijzigen van de hoofdverblijfplaats buiten de grenzen van beklaagde haar bevoegdheden lag, zij eerder had moeten opschalen naar passende hulpverlening.

Als hulpverlener in het vrijwillig kader dient beklaagde zich te realiseren waar de grenzen van haar bevoegdheden liggen. Door het ondersteunen van een door de zoon genomen besluit heeft beklaagde in strijd met artikel D (Vertrouwen in de jeugdzorg) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker gehandeld. Het klachtonderdeel is gegrond.

3.3 Klachtonderdeel III en IV

3.3.1

Klagers verwijten beklaagde dat zij de door haar gemaakte fout niet heeft erkend in het gesprek daarover op 8 februari 2018 en daarna niet inziet wat de gevolgen voor klagers zijn geweest van haar onjuiste handelen.

3.3.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat zij op 22 januari 2018 de casus met haar team van schoolmaatschappelijk werkers heeft besproken. Zij verwijst naar 2.5 en benadrukt nogmaals dat de zoon zelfstandig het besluit heeft genomen om bij zijn moeder te gaan wonen. Beklaagde heeft hem hierin slechts een luisterend oor geboden.

In het verweerschrift heeft beklaagde het volgende aangevoerd. De zoon wilde niet dat klager ervan op de hoogte werd gesteld dat hij met beklaagde sprak. Nu de zoon zestien jaar is, heeft hij de mogelijkheid om zonder toestemming van beide ouders in gesprek te treden met beklaagde. Pas toen een gesprek met moeder stond ingepland, is de zoon akkoord gegaan om een gesprek met klager te hebben waarin hij zijn voornemen om bij moeder te gaan wonen te bespreken.
Voor beklaagde stond vast dat beide ouders gezag hadden en dat het contact tussen zoon en moeder goed verliep. De zoon ging elke twee weken op vrijdag bij zijn moeder langs volgens de omgangsregeling en voelde zich daar veilig en op zijn plek.
Beklaagde begrijpt heel goed dat de beslissing van de zoon ingrijpend en mogelijk ook teleurstellend is geweest voor klagers. Voor beklaagde heeft het welzijn van de zoon gedurende het gehele traject voorop gestaan. Dat het nu goed gaat met de zoon en hij – in ieder geval volgens de laatste berichtgeving aan beklaagde – nog altijd achter zijn beslissing staat, is van belang om dit te respecteren. De zoon heeft een weloverwogen besluit genomen en heeft gekozen voor wat hem op dat moment het beste leek in zijn situatie.

Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd toegelicht dat zij nu, mede onder invloed van de behandeling van de tegen haar gerichte klacht bij de Klachtencommissie, inziet dat zij niet op het juiste spoor zat. Door niet de juiste vragen te stellen aan de Raad voor de Kinderbescherming beschikte zij niet over de kennis die ze nodig had bij de begeleiding van de zoon. Hierdoor is ook de insteek van het gesprek op 8 februari 2018 anders geweest dan klagers voor ogen hadden. Beklaagde realiseerde zich tijdens het gesprek dat zij over het hoofd heeft gezien dat er een convenant bestond waarin de hoofdverblijfplaats van de zoon was geregeld. Beklaagde heeft op dat moment de afweging gemaakt om het gesprek over de overdracht met het Sociaal Team te verplaatsen en verder in gesprek te gaan met klagers.

3.3.3

Het College overweegt het volgende. Uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat deze klachtonderdelen zien op het gesprek van 8 februari 2018 en het handelen van beklaagde daarop volgend. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de aanwezigheid van klaagster bij het gesprek op 8 februari 2018 haar heeft overvallen. Van een jeugdprofessional mag echter in een dergelijke situatie verwacht worden dat zij op dat moment schakelt en zich openstelt voor het verhaal van klagers. Klagers hadden bij dit gesprek een stapel papierwerk meegenomen. Beklaagde heeft ter zitting toegelicht dat zij hier geen kennis van heeft willen nemen, terwijl het hier documenten betrof, zoals het convenant, die relevant waren voor de onderhavige kwestie. Het College is van oordeel dat beklaagde hiermee in strijd met artikel E (Respect) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker heeft gehandeld. Op grond van dit artikel heeft beklaagde met haar handelen klagers niet geaccepteerd en gerespecteerd in hun eigen verantwoordelijkheid en opvoedingsvisie.

Beklaagde heeft vervolgens tijdens dit gesprek ervoor gekozen om klagers alleen te laten om te overleggen met derden, waaronder Veilig Thuis. Zij had in plaats daarvan het gesprek kunnen afronden en de ouders kunnen mededelen dat zij aansluitend een gesprek had gepland om de zaak over te dragen aan het Sociaal Team. In plaats daarvan heeft beklaagde ervoor gekozen om terug te gaan naar klagers om verder in gesprek te gaan. Nu heeft het overdrachtsgesprek met het Sociaal Team niet op 8 februari 2018 plaats kunnen vinden, terwijl ook beklaagde zich realiseerde dat deze overdracht zo spoedig mogelijk diende plaats te vinden. Beklaagde had zich moeten realiseren dat zij zich vanaf de start in een complexe casus heeft bevonden en op dat moment de gevraagde hulpverlening buiten de grenzen van haar bevoegdheden en kennis lag. Door het handelen en het nalaten van beklaagde heeft beklaagde het vertrouwen van klagers in de jeugdzorg geschaad. Het College is van oordeel dat beklaagde in strijd met artikel D (Vertrouwen in de jeugdzorg) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker heeft gehandeld.
Klagers hebben voorts gesteld dat beklaagde niet inziet wat de gevolgen van haar handelen zijn geweest. Zij hebben dit klachtonderdeel niet nader onderbouwd met relevante stukken. Tijdens de mondelinge behandeling hebben klagers desgevraagd toegelicht wat zij als gevolgen van het handelen van beklaagde zien. Voor het College is niet vast te stellen of en in hoeverre de ontstane gevolgen die klagers hebben toegelicht aan beklaagde zijn toe te rekenen. Wel staat vast dat beklaagde zorgvuldiger had moeten zijn ten tijde van haar betrokkenheid. Het klachtonderdeel is gegrond.

3.4 Conclusie

3.4.1

Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat beklaagde met betrekking tot de klacht een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Het College wil voorop stellen dat beklaagde heeft gehandeld in een complexe casus. Dit ontslaat haar echter niet van de taken en verantwoordelijkheden die zij als individuele en autonome jeugdprofessional heeft. Hierbij heeft het College in overweging meegenomen dat beklaagde een ervaren jeugdprofessional is. Van een dergelijk ervaren jeugdprofessional mag worden verwacht dat ze handelt conform de geldende professionele standaard. Het College komt tot de conclusie dat beklaagde meerdere normen uit de Beroepscode heeft geschonden, hetgeen heeft geleid tot gegrondverklaring van alle klachtonderdelen. Het College is van oordeel dat beklaagde niet binnen de grenzen van een redelijke bekwame beroepsuitoefening is gebleven. Voorts is voor het College onvoldoende gebleken dat beklaagde heeft getracht de schade te beperken en/of het ontstane nadeel te keren. In deze beoordeling is naast de verwijtbaarheid de mate van reflectie meegewogen. Beklaagde heeft onvoldoende blijk van reflectie op haar handelen gegeven. Het College heeft hierin meegewogen dat beklaagde naar aanleiding van de beslissing van de klachtencommissie inziet dat zij mogelijk fouten heeft gemaakt. Het ontbreekt echter aan het inzicht dat zij in deze casus anders had moeten handelen en het lukte haar niet ter zitting concreet te maken hoe zij anders zou hebben gehandeld. Gelet op het verwijtbare handelen ten aanzien van alle klachtonderdelen en dat beklaagde onvoldoende blijk van reflectie heeft gegeven, acht het College het opleggen van de maatregel van waarschuwing passend en geboden.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

• verklaart alle klachtonderdelen gegrond;
• legt aan beklaagde op de maatregel van een waarschuwing.

Aldus gedaan door het College en op 18 december 2018 aan partijen toegezonden.

de heer mr. drs. P.H.A. van Geel                                                                      mr. S.M.C. van Papenrecht
voorzitter                                                                                                               secretaris