Vader richt zijn verzoek tot dossierinzage aan de bestuurder van de GI. Hij wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht dat dossierinzage hem structureel wordt geweigerd.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
de heer W.L. Scholtus, lid-beroepsgenoot,
mevrouw M. de Roos, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[de vader], klager, hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats],

op 3 november 2019 ingediende klaagschrift tegen:

[de jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdbeschermer bij de gecertificeerde [GI gedwongen], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

1 Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het aangepaste klaagschrift ontvangen op 22 november 2019;
  • de aanvulling op het klaagschrift ontvangen op 3 december 2019;
  • het verweerschrift ontvangen op 24 januari 2020.

1.2 Op 6 februari 2020 is aan partijen kenbaar gemaakt dat het College voornemens is de klacht op grond van artikel 8.9 van het Tuchtreglement, versie 1.3, schriftelijk af te doen. De vader heeft binnen de gestelde termijn bezwaar gemaakt tegen dit voornemen. De voorzitter heeft gebruik gemaakt van de haar in artikel 8.9 van het Tuchtreglement gegeven bevoegdheid de klacht desondanks schriftelijk af te handelen. De schriftelijke behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 30 maart 2020. Partijen zijn hierover op 11 februari 2020 per e-mailbericht geïnformeerd.

1.3 Na afloop van de schriftelijke behandeling van de klacht, zijn partijen op 30 maart 2020 geïnformeerd dat de beslissing over zes weken, op 11 mei 2020, wordt verstuurd.

2 De feiten

Op grond van de stukken gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 De vader heeft een minderjarige zoon, geboren in 2003. De kinderrechter heeft in 2004 voor de zoon een machtiging tot uithuisplaatsing verleend. De zoon woont in een pleeggezin. De vader is sinds 2011 ontheven uit het gezag over de zoon. De (rechtsvoorganger van de) GI is benoemd tot voogd van de zoon.

2.2 De jeugdprofessional is sinds 3 januari 2017 door de GI als voogd aangesteld. Hij heeft de voogdij van een collega overgenomen.

2.3 De jeugdprofessional is van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd geweest in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 is de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3 Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4 De klacht, het verweer en de beoordeling

De in het klaagschrift genoemde klacht wordt besproken en beoordeeld. Eerst worden zowel de klacht als het verweer zakelijk weergegeven en daarna volgt het oordeel van het College.

4.1 De klacht

4.1.1 De vader stelt zich op het standpunt dat dossierinzage structureel wordt geweigerd.

4.1.2 De jeugdprofessional voert aan dat de vader niet-ontvankelijk is in zijn klacht. Het verzoek van de vader tot het krijgen van dossierinzage is gericht aan de bestuurder van de GI. De jeugdprofessional nodigt de vader tweemaal per jaar uit voor een dossierinzage. De vader heeft in de periode dat de jeugdprofessional voogd voor de zoon is, ondanks de uitnodigingen van de jeugdprofessional, hiervan slechts tweemaal gebruik gemaakt. Op de overige data die door de jeugdprofessional zijn voorgesteld, is de vader zonder bericht niet verschenen. De laatste inzage van de vader heeft plaatsgevonden op 5 april 2018.

4.1.3 Het College overweegt het volgende. De vader heeft een brief van 3 januari 2019 overgelegd. In deze brief heeft hij de bestuurder van de GI verzocht om onder andere het dossier uit 2004 en 2005 met daarin opgenomen de processtukken die door de GI zijn overgelegd aan de rechtbank in het kader van de uithuisplaatsing van de zoon, beschikbaar te stellen. Op 14 februari 2019 heeft de vader de bestuurder van de GI bericht dat zij niet tijdig op zijn aanvraag heeft beslist en heeft hij aangedrongen op een beslissing. Het College oordeelt dat het verzoek van de vader om het dossier in te zien over de jaren 2004 en 2005 geen betrekking heeft op het individuele handelen van de jeugdprofessional. De jeugdprofessional was in 2004 en 2005 nog niet bij deze casus betrokken. Daarnaast zijn de brieven van de vader gericht aan de bestuurder van de GI en niet aan de jeugdprofessional. Het is derhalve aan de GI om met de vader te communiceren over het verzoek. Het College verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn klacht voor zover deze betrekking heeft op het in zijn brief van 3 januari 2019 geformuleerde verzoek. De jeugdprofessional heeft in het verweerschrift aangegeven dat hij naar aanleiding van een uitspraak van de klachtencommissie van de GI de vader tweemaal per jaar uitnodigt voor een dossierinzage. De jeugdprofessional heeft de vader, zo blijkt uit de door de jeugdprofessional overgelegde kwartaalrapportages van 29 mei 2018 en 27 december 2018, uitgenodigd voor een dossierinzage op 28 juni 2018 en 31 januari 2019. Ook heeft de jeugdprofessional de vader bij brief van 26 juli 2019, uitgenodigd om het dossier in te zien op 12 september 2019 en heeft hij vastgesteld dat de vader geen gebruik heeft gemaakt van de inzagemogelijkheden in juni 2018 en januari 2019. Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van het College voldoende gebleken dat de vader geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden tot dossierinzage die hem zijn aangeboden. Daarnaast zijn in het dossier geen aanknopingspunten te vinden die het standpunt van de vader ondersteunen. Derhalve is het gedeelte van de klacht dat ziet op de periode dat de jeugdprofessional als voogd voor de zoon was aangesteld ongegrond. De vader heeft op 3 december 2019 een aanvullend stuk ingediend dat bestaat uit een e-mail van de vader van 26 november 2019 die gericht is aan de jeugdprofessional. Het College maakt uit deze e-mail op dat de vader het niet eens is met de inhoud van de kwartaalrapportages waarin de vader wordt geïnformeerd over de zoon terwijl de klacht van de vader, zo blijkt uit het klaagschrift, uitsluitend betrekking heeft op de dossierinzage. Nu de inhoud van de kwartaalrapportages geen onderdeel is van de klacht die door de vader is geformuleerd , zal de vader in dit gedeelte van de klacht niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.1.4 Het College verklaart de vader niet-ontvankelijk voor zover de klacht betrekking heeft op de dossierinzage over de jaren 2004 en 2005 en de kwartaalrapportages. De klacht is voor het overige ongegrond.

5 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart de vader (deels) niet-ontvankelijk in de klacht;
  • verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Aldus gedaan door het College en op 11 mei 2020 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. S.C. Van Duijn                                                       mevrouw mr. A.C. Veerman

voorzitter                                                                                      secretaris